Pimpeltje
Hij leg in een hoekie, zou mijn vader zeggen. En inderdaad daar leg ‘ie. Want opeens lag ‘ie daar. Bij mij in de tuin, voor de deur. Ik had net een telefoongesprek afgerond en keek door de tuindeuren naar buiten en daar lag ‘ie dan. Met zijn pootjes omhoog. En met zijn snaveltje ook. Of haar snaveltje, dat kan ook, want ik zie het verschil niet bij deze soort. En hij/zij bewoog niet, ook niet nadat ik er nog met een stokkie tegenaan gepord had. Want soms – dat heb ik wel eens meegemaakt – leggen ze in shock. Dat ze, zeg maar, geschrokken zijn van de kat van de buren of zo. En dan vallen ze voor dood neer, maar dan niet echt. Maar deze wel. Die was het wel. Doodgevallen dus. En nou lag ‘ie bij mij. In de tuin. Een pimpelmees. Het gekke is: je ziet ze altijd vliegen, maar je ziet ze nooit doodgaan. En ik woon nu toch al heel wat jaartjes hier in mijn straatje in mijn huisje met een tuintje. Met al die vogeltjes waar ik dan graag een stukkie over schrijf. Maar er eentje dood in mijn tuin...